Een heteroanamnese levert informatie op die de cliënt zelf niet altijd kan geven. Bij psychodiagnostisch onderzoek vertelt de cliënt over eigen klachten en ervaringen, maar dit beeld is per definitie subjectief. Door ook het perspectief van een naaste te betrekken, ontstaat een completer en soms correcter beeld van het dagelijks functioneren. Voor psychologen en verwijzers is de heteroanamnese een waardevolle aanvulling op testonderzoek en klinische observatie.
Wanneer is informatie van naasten van belang?
Bij kinderen en jongeren is het betrekken van ouders of verzorgers standaardpraktijk. Zij observeren het kind in situaties die de psycholoog niet ziet: thuis, op school, in sociale interacties. Bij volwassenen is een gesprek met een naaste met name relevant wanneer er sprake is van beperkt ziekte-inzicht, cognitieve achteruitgang of wanneer de klachten sterk afhankelijk zijn van de sociale context.
Bij diagnostiek naar ADHD of autisme op volwassen leeftijd biedt een informantengesprek gegevens over gedragspatronen die al in de kindertijd aanwezig waren. De cliënt herinnert zich deze niet altijd, terwijl ouders of broers en zussen concrete voorbeelden kunnen geven. Bij vermoeden van dementie of niet-aangeboren hersenletsel is het perspectief van de partner of mantelzorger onmisbaar om de mate van achteruitgang in het dagelijks functioneren vast te stellen.
Hoe wordt het informantengesprek afgenomen?
Het gesprek met de informant vindt doorgaans plaats zonder de cliënt erbij. Dit geeft de naaste de ruimte om open te spreken over gedragingen of zorgen die in aanwezigheid van de cliënt mogelijk niet ter sprake komen. De psycholoog stelt gerichte vragen over het dagelijks functioneren, veranderingen in gedrag, stemming en cognitie, en de impact op het sociale en werkende leven.
In sommige gevallen worden gestandaardiseerde vragenlijsten aan de informant voorgelegd, zoals een gedragsvragenlijst of een screeningsinstrument. De resultaten worden gecombineerd met de eigen testresultaten van de cliënt en de klinische observatie. De AST-NIP 2024 schrijft voor dat de psycholoog in de rapportage vermeldt welke informatiebronnen zijn gebruikt.
Toestemming en privacy
De cliënt moet altijd toestemming geven voordat informatie bij derden wordt ingewonnen. Dit valt onder de regels van informed consent en de AVG. De psycholoog legt vooraf uit welke informatie wordt opgevraagd en bij wie. De informant wordt er op gewezen dat het gesprek vertrouwelijk is en dat de verkregen gegevens uitsluitend worden gebruikt ten behoeve van het diagnostisch onderzoek.
Informantengesprek bij PSYVICE
PSYVICE neemt bij relevante vraagstellingen standaard een heteroanamnese af als aanvulling op de testbatterij en het klinisch interview. De cliënt geeft hier vooraf toestemming voor. Alle onderzoeken worden uitgevoerd in samenwerking met en ondertekend door een BIG-geregistreerde professional, met gebruik van COTAN-gevalideerde instrumenten. Neem contact op voor meer informatie.
Toepassingen
Een heteroanamnese wordt ingezet wanneer het perspectief van een naaste waardevolle aanvullende informatie oplevert voor de diagnostiek. Typische situaties zijn:
- Onderzoek bij kinderen en jongeren (informatie van ouders of leerkrachten)
- Vermoeden van cognitieve achteruitgang of dementie
- Diagnostiek bij niet-aangeboren hersenletsel (NAH)
- Situaties waarin de cliënt beperkt zelfinzicht heeft
- Arbeidsgerelateerd onderzoek waarbij collega- of leidinggevendenperspectief relevant is
Geschikt voor
Alle diagnostische trajecten waarbij het perspectief van de omgeving relevant is. Wordt standaard toegepast bij kinderen en jongeren. Bij volwassenen ingezet wanneer beperkt ziekte-inzicht, cognitieve beperkingen of complexe sociale context een rol spelen. Relevant in GGZ, arbeidssector en particuliere onderzoeken.
Niet geschikt bij
Situaties waarin de cliënt geen toestemming geeft voor het betrekken van derden. De cliënt heeft altijd het recht om een heteroanamnese te weigeren. Niet zinvol wanneer er geen informant beschikbaar is die de cliënt goed genoeg kent om betrouwbare informatie te geven.
Praktijkvoorbeeld
Bij het onderzoek naar mogelijke ADHD bij een 29-jarige man wordt naast de standaard testafname ook een heteroanamnese afgenomen bij zijn partner. Zij beschrijft patronen van vergeetachtigheid, moeite met plannen en impulsieve beslissingen die de cliënt zelf minder opmerkt. Deze informatie ondersteunt de testresultaten en draagt bij aan een onderbouwde diagnose.
Veelgestelde vragen
Vragen? Hier vind je de antwoorden!
Bij een anamnese vertelt de cliënt zelf over klachten, voorgeschiedenis en functioneren. Bij een heteroanamnese wordt deze informatie aangevuld met het perspectief van een naaste, zoals een partner, ouder of begeleider. Beide vormen vullen elkaar aan.
Nee, een heteroanamnese is niet altijd verplicht, maar bij bepaalde vraagstellingen wel sterk aanbevolen. Bij kinderen is het standaard om ouders of verzorgers te betrekken. Bij volwassenen hangt het af van de vraagstelling en het vermogen tot zelfreflectie van de cliënt.
Dit is doorgaans iemand die de cliënt goed kent in het dagelijks leven: een partner, ouder, volwassen kind, goede vriend of begeleider. Bij kinderen zijn ouders of leerkrachten de meest gebruikelijke informanten. De informant moet de cliënt frequent genoeg zien om betrouwbare observaties te delen.
Ja. De cliënt heeft het recht om te bepalen of en met wie informatie wordt gedeeld. Dit valt onder de AVG en de NIP-beroepscode. Zonder informed consent van de cliënt mag geen heteroanamnese worden afgenomen.
PSYVICE neemt bij relevante vraagstellingen een heteroanamnese af als aanvulling op de eigen testafname en het klinisch interview. De cliënt geeft hier altijd vooraf toestemming voor. Elk onderzoek wordt uitgevoerd in samenwerking met en ondertekend door een BIG-geregistreerde professional.
Bronnen & referenties
De Jonghe, J.F.M. (2007). Leidraad voor het psychiatrisch onderzoek. Bohn Stafleu van Loghum.
Nederlands Instituut van Psychologen (NIP). (2024). Algemene Standaard Testgebruik (AST-NIP 2024). psynip.nl.
Hendriks, M.P.H. (2018). Heteroanamnese in de neuropsychologische diagnostiek. In: Klinische neuropsychologie. Boom.